
Als ik met leerlingen in gesprek ben over doelen stellen vertellen ze vaak hun voornemens. Het verschil tussen doelen en voornemens is blijkbaar niet helemaal helder. Daarop heb ik een werkblad gemaakt voor een les over voornemens en doelen.
In eerste instantie heb ik ze de voorkant van het werkblad laten invullen, hierbij geven ze bij elke uitspraak aan of het een voornemen of een doel is. Daarna hebben we gesproken over het verschil tussen een voornemen en een doel. Voor mij heeft een doel te maken met een actie, het werkwoord gaan en met een afspraak. Een voornemen heeft te maken met een wens, een intentie en met het werkwoord willen. De lading die deze woorden voor mij hebben bleek niet helemaal aan te sluiten bij de lading die leerlingen erbij ervaren. Daarop heb ik ze gevraagd aan de ene kant van het lokaal te gaan staan en bij elke zin waarbij zij ervaarden dat die aanzet tot beweging mochten ze een stap naar voren zetten. Deze oefening hielp hen om voor zichzelf het verschil te ervaren tussen een voornemen en een doel.
Daarna was de achterkant van het werkblad aan de beurt. De overeenkomsten tussen doelen gaan om een duidelijk eindpunt, de hoeveelheid tijd en een strategie. De inhoudelijke verschillen gaan over aanleiding, richting, termijn en doen tegenover leren.
